Fred van Rooij | woord & beeld

Spelletje

Hoe hard kun je rennen

Geen reacties

Ze drukte zich plat tegen de grond, probeerde zich te verbergen achter de grassprieten. Haar ademhaling was te snel, ze wist het en probeerde zich de yogalessen te herinneren om zo de controle over haar ademhaling en lijf terug te krijgen: 21, 22 telde ze langzaam.
Het hielp niet echt en ook haar hart werkte niet mee: bij elke hartslag had ze het gevoel dat haar lichaam iets omhoog kwam. De grond voelde koel en het vocht uit de bodem werkte zich door haar T-shirt naar haar blote huid en veroorzaakte koude rillingen. Een fris voorjaar, dacht ze ineens en ik zie er straks niet meer uit. Ze schudde even haar hoofd om van die vreemde gedachten af te komen.

'Hou je stil', fluisterde ze tegen zichzelf. Controle over haar lijf, daar draait het om, wist ze. Ze spitste haar oren en trachtte te lokaliseren waar hij was.
Dichtbij?
Of nog niet.
Opkijken durfde ze niet, haar andere zintuigen moest het doen. Ze berekende haar kansen om verborgen te blijven: niet hoog was bijna meteen haar conclusie, de plek waar ze nu lag te rillen was te open, te vrij. Maar misschien zou het hem in verwarring brengen. Zou hij ergens anders zoeken.
Ze hield haar adem in en luisterde: niets, nou ja misschien wat gekraak verder weg: ze twijfelde. Heel even tilde ze haar hoofd op, maar ze zag hem niet zoeken naar haar. Misschien aan de andere kant: voorzichtig draaide ze haar hoofd. Haar adem stokte direct in haar keel. Snel drukte ze haar hoofd weer tegen de koude grond. Op een meter of tien stond hij, stil als een huis terwijl zijn ogen minutieus de omgeving afzochten.
Had hij haar gezien?, vroeg ze zich af.
Ze luisterde.
Er klonken geen stappen of gekraak van takken. Hij stond dus nog stil.
Opnieuw bekeek ze haar situatie: liggen blijven of er vandoor gaan. Ze was snel, maar hij ook dat wist ze. Maar als ze nu begon te rennen had ze een voorsprong.
Even nog, sloot haar ogen en concentreerde zich op de geluiden.

Minuten verstreken zonder dat er iets gebeurde en zonder dat ze iets hoorde. Ze werd er nerveus van. Het vocht had nu ook haar spijkerbroek nat gemaakt: haar beenspieren verstijfden. Ook dat nog, mopperde ze in stilte. Het betekende ook dat haar kansen afnamen.

Ineens hoorde ze het: gekraak. Hij bewoog en waarschijnlijk in haar richting. Kraak, even niks en weer gekraak. Zou hij haar gezien hebben? Vast niet, vermoedde ze, dan kon hij haar zo bespringen. Maar lang kon het niet duren voor hij haar ontdekte. Ze herberekende haar kansen nog maar eens. Ze moest er vandoor, was haar conclusie: hopelijk had ze dan ook het voordeel van het verrassingseffect, lang verborgen bleef ze zeker niet meer.

Voorzichtig spande en ontspande ze de spieren in haar benen en armen om de bloedsomloop beter op gang te krijgen. In haar hoofd stippelde ze de te rennen route uit. Ze was niet onbekend hier. Hoewel de twijfel door haar lijf gierde, gaf ze zich wel een redelijke kans.
Langzaam telde ze terug vanaf tien.
9, 8... 3, 2 en bij één sprong ze op en zette het op een lopen. Met een schreeuw viel ze weer neer, haar voet gleed uit op een stukje mos.
Terwijl ze viel zag ze hem vanuit haar ooghoeken reageren, ze meende zelfs een gemene glimlach te zien. Hij zette zich ook in beweging: takken kraakten onder zijn voeten.

Geschrokken bleef ze naar hem kijken.
'Kom op trut', riep ze en sprong weer overeind en zette het op een rennen. Al snel ging haar borstkas als een bezetene op en neer. Achter zich hoorde ze hem als een stoomtrein aankomen en aan het geluid te horen, kwam hij dichterbij.
Sneller moet ik, sneller, spoorde ze zichzelf aan.

Ze naderde een open plek met aan de rand een grote eik. Even keek ze om; ik red het niet, dacht ze en perste alles uit haar pezige lijf.
De laatste restjes.
De man was haar tot op twee meter genaderd. Ze liep en liep...
Ze richtte haar blik op de eik en rende er recht heen.
'Ik heb je', hoorde ze achter zich de zwaar hijgende man.
'Nee!', gilde ze en deed een laatste poging om uit de grijpende klauwen van de man te blijven. Ze zwenkte naar links en verraste hem daarmee. Meteen daarop veranderde ze de richting naar rechts en stormde recht op de grote boom af.

Ineens verloor ze haar evenwicht; een vloek verliet haar mond. Maar terwijl ze viel, schampte ze met haar vingertoppen de stam van de eik.
Ze viel en rolde door, uitgeput.
De man stopte hijgend naast haar en keek haar aan.
Hij zei niets.
Zij wel:
'Buut vrij', perste ze uit haar mond en een grote glimlach tooide haar gezicht.

Written by Admin

Donderdag 31 December 2009 at 12:12 pm

Posted in Verhalen

Opgesloten

Eén reactie

Het waren rode deuren. Althans dat zweeft in mijn herinneringen. Het is namelijk al een flinke tijd geleden. Rode liftdeuren en een rode deur naar het trapportaal. In het midden van die laatste deur zat een rechthoekig, smal stuk glas, zodat je in het trappenhuis kon kijken. Niet dat het enig nut had waarschijnlijk, maar goed het zat er. Voor mij had het wel nut trouwens. Want die trappen waren de uitgang naar buiten. Het lijkt simpel: druk de deurklink naar beneden en je kunt door de deur, trappen af ? ik meen dat we op de vierde verdieping zaten ? en je bent weg. Inderdaad, het lijkt simpel. Maar de deur zat op slot, potdicht. Niemand kon eruit. Verboden. Erin was mogelijk, maar niet eruit.Ergens raar voor een negenjarige, net als voor mijn zus die twee jaar jonger was. Ik begreep het niet. Een gigantische flat ? ik was jong ? vol met volwassen mensen op leeftijd die woonden in een huis waar je wel in mocht, maar niet uit. En ook de lift had diezelfde vervelende kenmerken. Er zaten twee knoppen op het paneel naast de deuren. Een voor als je naar boven wilde, en een voor de andere kant op. Als je drukte begonnen de lampjes te branden, maar gebeurde er niets. Geen lift bewoog zich naar ons toe. We konden wachten tot we dood waren. Maar dat deden al die mensen in dit huis ook wel, bedenk ik me nu als ik eraan terugdenk.
    ?Dan moet je de zuster maar even vragen?, antwoordde onze moeder als we vroegen dat we eruit wilden. De lange gangen met linoleum bekleed in het witte gebouw benauwde. Links en rechts waren kamertjes, met vier, vijf, of weet ik hoeveel bedden per kamer. Ik ben nooit op zijn slaapkamer geweest, dus met hoe veel mensen ze daar sliepen is mij nog steeds onbekend. Ik vermoed dat het ziekenhuisbedden waren. De gangen waren leeg, opgeruimd en alles rook schoon en steriel. Het klonk er ook hol. Maar schreeuwen, wat dan zo mooi klinkt mocht niet, net zoals rennen of andere kinderdingen die je doet als je negen bent.
    De zuster, dat was het toverwoord. Zij ? nooit hij?s ? had de sleutel die alle deuren kon openen. De liftdeuren en de deur van het trappenhuis. De magische sleutel naar vrijheid. Ook mijn ouders moesten haar vragen om eruit te mogen. Slechts zij wikte en woog. Nu mocht iedereen eruit die daar in dat tehuis niet thuishoorde. Maar woonde je er, dan waren de deuren voorgoed gesloten. Zo leek het tenminste voor mij. En zo was het ook. Alleen als je tussen zes plankjes lag waren alle deuren weer vrij beschikbaar. Maar dan wist de zuster in ieder geval zeker dat je niet wegliep.
    Elke zondag klonk het weer: ?Hallo opa.? En ik verbeeld me dat hij iets zei als: ?Dag jongen.? Maar hier ontbreekt een stukje uit mijn geheugen. Hij zat daar in een stoel in de grote huiskamer, waar al het bezoek kwam. Een smal gezicht en ook een smal lichaam. Een fijne man, zeg maar. In ieder geval in een soort pak, zonder strodas, maar misschien ook wel met. Het was zondag en dan draag je zondagse kleren. Wij maar ook hij, denk ik. Zo was het nu eenmaal. We hingen wat rond, dronken wat en verveelden ons.
    Maar ik was jong en wat wist ik eigenlijk van hem. Ja, hij woonde in een huis bovenop een terp in ons dorp, samen met mijn tante en oom. Eigenlijk andersom, want hij woonde er eerder. Op de plaats waar na zijn dood plek was voor twee auto?s stonden koeien. Zeven, acht, tien, vijftien? Geen flauw idee. Roodbont, dat wel. Het was er laag, maar hij hoefde nooit te bukken. Zaterdags bracht ik er wel eens oud brood dat mijn moeder opspaarde gedurende de week. Hij ging dan voor naar de stal en gooide het brood in een zinken emmer en vulde die verder met water. Dat voerde hij de koeien. Ik herinner me geen gesprek en ook geen aai over mijn bol. Geen uitleg over melk en melken, niets. Als het er wel was laat mijn geheugen zich in de steek.
    Ineens zat hij daar. Niemand vertelde me wat. In plaats van wandelend het zondagsbezoek af te werken, gingen we met de auto naar het verpleeghuis, wat zo heette, maar ik niet wist. Ik zat opgezadeld met lange, lege gangen en oude mensen die van alles zeiden, maar het niet meenden. Tenminste dat vertelden andere volwassenen mij. Ik vroeg ook niets, want dat deed je niet. Denk ik. Zo ging het nu eenmaal. Als kind wist je niets en vroeg je ook niets. Feiten zijn gewoon de feiten. Klaar uit.
    ?Soms herkent hij wel de kinderen?, zei mijn moeder wel eens tegen mensen die informeerden naar de toestand van mijn opa. Inderdaad riep hij wel eens wat tegen ons. Niet dit doen, of dat. Maar daar bleef het bij. Gesprekken waren het zeker niet. Mijn zus en ik gingen naar buiten of zwierven over de gangen. In stilte, want dat moest zei iedereen. Vaak genoeg stond mijn neusafdruk gedrukt op het glas van de deur van het trappenhuis. Want de zuster roepen of vragen was deel een. Uiteindelijk kwamen ze wel om je de vrijheid te geven, maar vaak duurde het even en groeide het verlangen om naar buiten te gaan. Maar je kon niet, want de deuren waren potdicht en je had geen sleutel.
    Nu, vele jaren later staan dit soort dingen in mijn geheugen gegrift. Rode deuren en potdicht. Elk jaar beschouw ik nu als een extra en een gezegend jaar. Het is me gegeven. Maar hoelang nog. Om dood te zijn, hoef je niet per se te sterven. Hoelang zijn mijn deuren nog open en leef ik in het heden. Soms vergeet ik wel eens wat. Is dat een voorbode? Komt er een dag dat ook de deuren van mijn geheugen beginnen te haperen en uiteindelijk voorgoed gesloten zijn en ik leef in een poel van herinneringen. Kan ik dan nog mijn neus tegen het glas duwen en hunkeren naar het heden terwijl ik moervast in het verleden zit? Zoek ik dan ook een zuster die de sleutel heeft. Mijn opa heeft er nooit een gevonden.

Written by Admin

Zaterdag 30 December 2006 at 12:23 am

Posted in Verhalen

Happy single

Geen reacties

?Je snapt het echt niet hè jongetje? Wijn uit een pak. En dan ook nog eens Duitse wijn. Tjonge jonge, jij snapt er geen barst van, sorry voor mijn taalgebruik. Wil je me zo het hof maken, met goedkope Duitse wijn. Nee toch?
    Op MSN klonk je charmanter, meer een gentleman. Ja, ik weet het niet, dat idee kreeg ik bij je tijdens die gesprekken. Ja, wel laat hè elke keer. Hoe vaak eigenlijk. Best wel vaak toch. Vijf keer maar? Nou, ik dacht eigenlijk dat we veel vaker hadden gekletst. Vond het altijd heerlijk met je op MSN, zo vertrouwd en veilig. Ja, dat voelde ik echt, niet lachen hoor. Had jij dat niet? Niet zo? Raar, ik wel. Ik voelde me zo thuis bij je, je warmte en je belangstelling voor mij. Vond je me te toeschietelijk dan. Te makkelijk? Nee, dat toch ook niet. Smaakt best eigenlijk die wijn uit een pak. Nooit geweten dat je dat kon kopen.
    Je moet niet zo slecht over me denken hoor, ik zie je soms wel een beetje grinniken. En zeker niet dat ik met elke man uitga als ik met ze gechat heb. Zovaak chat ik nog niet hoor, tenminste niet altijd. Hangt een beetje van mijn bui af. Weet je, gewoon meestal in de avond als de kinderen op bed liggen, net als iedereen. Dat wist je toch wel, ik heb twee kinderen. Oh, gelukkig. Nou als die eindelijk eens op bed liggen heb ik gewoon geen puf meer. Jij kent dat niet, je hebt geen kinderen. Maar werken, het huishouden en dan de kinderen, koken en wassen. Ik doe echt veel hoor op een dag. Hoelang ik werk? Nou, zo?n drie dagen per week, best veel hoor geloof mij maar, als je de rest meerekent. Tja, en dan chat ik soms.
    Wat ben je toch afstandelijk nu. Wat is er? Voldoe ik niet aan je verwachtingen? Op MSN vond je me toch prima. Val ik zo tegen? Jij wilde toch ook afspreken. Dit maakt me zo verdrietig en elke keer overkomt me het weer. Jullie mannen zijn gewoon klootzakken.
    Natuurlijk ben ik daar verdrietig over, zou jij dat niet zijn. Heb je trouwens nog een pak wijn. Het smaakt heerlijk zoet. Ik snap ook niet dat ik nog afspreek. Manvolk is gewoon walgelijk. Wat moet jij wel niet denken van me. Nou? Ben eens eerlijk. Vind je me een hoer? Een slet? Een neukertje die je uitnodigt thuis, neemt en weer dumpt? Nou? Zeg eens wat joh. Denk je zo over me? Vind je me mooi? Ik zie je wel gluren hoor naar mijn decolleté. Vind je ze mooi mijn borsten, of zeg je liever tieten? Ik ken mannen wel, laat me niet lachen, die geile beesten. Je wilt ze wel eens vasthouden zeker, je grote handen erom heen. Je hebt mooie handen trouwens. Kom eens naast me zitten. Wil je dat? Niet?
    Ben je verlegen dan? Verdomme wat wil je van me? Ik voel je ogen wel prikken hoor. Is mijn rokje dan misschien nog te lang? Of zie je me liever alleen in string met mijn laarzen eronder en verder niets. Wil je dat? Kom je dan lekker achter me. Ik vind veel lekker. Net als ik jou lekker vindt, mooie ogen, slank en lekker lang. Nee, dat weet ik niet maar hoop het wel hoor, lekker lang, daar houd ik wel van.
    Zullen we het doen? Kom op, jij wilt toch ook, dat weet ik zeker. Wat zeg je? Ik drink teveel. Hoe kom je erbij. Je nodigt me uit en we hebben toch plezier. Een nachtje kan toch wel. Toe?
    Je wilt niet hè? Ik snap het niet. Nee, geeft niets, ik ben een beetje verdrietig, dat is alles. Ik dacht dat we elkaar leuk vonden, maar heb me vast door je gladde praatjes laten ompraten. Het is al goed.
    Bel je wel een taxi voor me. Ik ga naar huis. Nee, morgen ben ik vrij. Geeft niets voel je niet schuldig. Misschien waren onze hormonen te sterk. Ik wacht buiten wel. Pas goed op jezelf, je bent een echte knapperd. Hmm, dank je. Ik geloof je niet maar ben toch blij met het compliment. Ga je mee stappen? Ik snap het, geeft niets. Ja, jij ook doei.?

Written by Admin

Woensdag 20 September 2006 at 9:48 pm

Posted in Verhalen

Gek (4)

Eén reactie

Ik ben even gek aan het doen...

Written by Admin

Zaterdag 01 Juli 2006 at 4:36 pm

Posted in Verhalen

Dorp aan de rivier

Eén reactie

?De Maas ligt langs dit dorp. Zij komt er naar toe gestroomd. Zij vloeit er vriendelijk langs. Zij buigt zich er weer vanaf. Zij ligt in de blanke boorden der verzandingen in hare bochten, in het fluweelen groen van vlak gevlijde uiterwaarden, tusschen de welige ruigten der grienden.?
Mooi, die eerste zinnen uit het boek ?Dorp aan de rivier? van Antoon Coolen. En laat ik nou net een eerste druk gekocht hebben, helemaal mooi. Wat ook mooi is, is dat ik precies weet wat hij beschrijft. Ik woonde ook in een dorp aan de rivier.

Het boek gaat natuurlijk over Lith, een dijkdorp aan de Maas. Althans Coolen gebruikte dat dorp voor zijn roman. Zijn sfeerbeschrijvingen zijn de mijne. Ik ken Lith en de uiterwaarden, het lag niet ver van mijn dorp aan de Maas. De rivier was vriend en vijand van de mens, zoals veel dorpen aan een rivier weten. En er lagen heel veel dorpen in ons land aan een meanderend lint van water, dat soms verwerd tot een woeste en alles vernietigende stroom ijskoud water dat dood en verderf zaaide onder de bewoners en de veestapel. Dijken die braken en het land onder water zette. Arme sloebers die machteloos toezagen hoe hun schamele bezittingen door het Maaswater werden meegesleurd. Slechts de armen leefden op de dijken, de rijken leefden letterlijk op een hoogte. Verschil was er toen altijd. Maar diezelfde rivier gaf ook veel terug. Vruchtbare uiterwaarden voor in de lente en zomer. Nergens groeide het beter. De liefde van een mens levend aan een rivier was er een van liefde en haat.

Nederland is een land van dorpen die nu geen dorpen meer zijn, maar volgestampte buitenwijken. Dorpen, ze bestaan niet meer. Daar waar de dokter nog hoog in aanzien stond en naar zijn mening werd geluisterd. Dorpen waar de pastoor zo ongeveer de rechterhand van God was en de burgermeester natuurlijk God zelve. Net zo goed als het Hoofd van de school, een positie die aanzien gaf én een groot huis.
Ze bestaan niet meer. Voorgoed opgenomen in de Nederlandse geschiedenis. Alleen de verhalen leven voort aan de bar van het plaatselijke café, dat zoals altijd na de hoogmis volstroomt. Zeker op de kermisdagen. Langzaamaan verdwijnen al die oude verhalen en legendes. Als de laatste dorpeling zijn hemelreis begint zijn de dorpen voorgoed uitgestorven. Dorpsverhalen die eigenlijk niet mogen sterven, maar de tand des tijds vreet door. We wonen tegenwoordig niet meer in een dorp, maar buiten. Dorpelingen bestaan bijna niet meer, buitenmensen wel.

Maar wat is er mooier voor een kind dan wonen in een dorp aan een rivier. Weiland, uiterwaarden en natuurlijk de lieflijke rivier die zich als een zilveren stroom in haar bedding voortbeweegt naar heinde en verre. Naar plaatsen waarvan ik als kind alleen maar droomde. Een rivier die zich niets van de mens aantrekt en slechts doet wat zij belieft. Een stroom die geeft, maar ook neemt. Een watertje waar je verliefd op wordt. Liefde die je nooit voor een mens kunt voelen. Warmer, dieper en intenser. Een rivier grijpt je vast en laat je nooit meer los. En elke keer als mijn ogen de rivier volgen tot ze uit het zicht verdwijnt, smelt mijn hart. Nog zie ik me staan. Water dat over mijn kleine voeten golfde, de fiets in het gras. Stiekem, want aan de rivier mocht je niet komen van je moeder. Maar de Maas trok harder, ik moest er heen, straf of niet.

Ik woonde niet echt aan de Maas en moest er wel een kilometer voor fietsen. Het oude dorp lag in de grote oorlog zwaar onder vuur. Veel is er niet meer van over. Maar dorpelingen zitten niet bij de pakken neer en in de polder verrees een nieuw dorp. Voor de veiligheid maar wat verder van het water vandaan. Ach, het was de tijd dat de kerkklok nog als horloge diende, de tijd dat het voetbalterrein nog gewoon vrij toegankelijk was en waar we mochten voetballen op het trainingsveld, soms tot de enkels diep in de modder en waar de meester de fluit hanteerde. Een tijd waarin niemand het enige veld en dus hoofdveld betrad. Een tijd waarin vandalisme nog niet was uitgevonden. Een tijd waarin een slot op je fiets totaal overbodig was en een tijd dat je als kind veilig kon reizen in je eigen dorp.

Er waren geen speeltuintjes, maar wel uiterwaarden, veldjes en een grote polder, vrij toegankelijk. Vier jassen en een bal, meer hadden we niet nodig. Hoe mooi de voetbalkooien tegenwoordig ook zijn. We hadden niks nodig, alleen wat bomen en een boel fantasie. Het duurste wat we hadden was de vrijheid om te gaan en staan. Een rijkdom die er niet meer is. Kinderen veroorzaken overlast en geen vreugde meer. Een lach voor de een, is overlast voor de ander. Alles wat mooi en dierbaar is verdwijnt heel langzaam, maar wel onomkeerbaar. Ruimte hebben we nodig om te wonen en zo veranderen onze sociaal veilige dorpen in kleine onoverzichtelijke steden. Ook mijn uiterwaarden veranderen, maar toch heb ik ze aan mijn kinderen laten zien. Mijn speeltuin is iets wat zij niet begrijpen.

Heel soms verlang ik terug naar mijn dorp, om weer elke dag dat rondje te fietsen op de dijk. Altijd die zwaai naar de boer die langsreed. Even stoppen aan het water en mijmeren waar de boten heen gaan. Maar het is hetzelfde dorp dat ik zo vaak vervloekt heb. Die altijd durende verstikkende sociale controle. Waarom zou je wegrennen bij kattenkwaad als iedereen je aan je oren herkent. Nutteloos en vaak verstikkend. Ik wil die controle niet meer, ik wens mijn anonimiteit. Maar toch trekt de rivier nog steeds en misschien wel harder dan ooit. Iets dat waarschijnlijk nooit zal veranderen. De uiterwaarden en de rivier. Soms mis ik ze. Misschien een mooie plek voor mijn as, als het zover is.
Want dan ben ik er altijd.
Bij mijn rivier.
Mijn Maas.

Written by Admin

Woensdag 07 September 2005 at 11:49 pm

Posted in Verhalen