Ik was zestien toen ik op 6 oktober in Den Helder uit de trein stapte, het station van Den Bosch was mijn opstapplaats. Mijn Brabantse tijd zat er op en mijn Noord-Hollandse tijd begon. Met agge mar leut het redde ik het daar niet en ook het Da ge bedankt zèt dè witte war riep alleen maar vragen op. Ik weet niet wat ze in Den Helder spraken, maar het was zeker geen Brabants, de taal van mijn jeugd. Je of jij: wat een kul, ik gebruikte gij. Maar een accent stond gelijk aan boer zijn, dus ik probeerde op mijn taal te letten. Langzaamaan sleet ook het Brabants uit mijn vocabulaire. Ik was Hollander geworden en slechts thuis in Brabant kwam het dialect weer terug.
Mijn dochter is net achttien geworden en heeft nog geen meter buiten Alphen aan den Rijn gewoond. Jawel, Zuid-Holland was mijn derde stop binnen Nederland. Al die jaren gaan we trouw naar Noord-Brabant voor familiebezoek. Mijn partner gaat natuurlijk ook mee. In hun uppie die kant op kunnen ze niet, ze zouden het niet redden daar, onmogelijk. Ze spreken de taal niet en begrijpen er geen snars van. Een cursus Brabants voor beginners hebben ze nooit gevolgd. Spanning levert een bezoek aan de zuidelijke streken altijd op. Onbewust schakel ik over op het dialect en begrijpen de lievelingen mij niet meer. Precies: ze voelen zich buiten gesloten. Eerlik woar. Daarnaast ben ik de godganse dag aan het vertalen voor mijn kleine achterban.
Na zoveel jaar ligt het Brabants in mijn ziel opgeslagen en openbaart het zich als het nodig is. Toegeven, op dit moment klinkt het Brabants voor mij ook als de taal van boerenpummels. Hoe dan ook, die taal blijft een deel van mijn leven. En als ik dan een moslima zie met traditionele kleding – uiteraard met hoofddoek en koffiebruine ogen – die een partij Brabants lult, lig ik in een deuk. Een mooier voorbeeld van integratie is er niet te vinden, het Brabants gaat dus nooit verloren. En geloof me, zo zijn er veel Noord-Afrikaanse mensen in Noord-Brabant die een aardig mondje plat proaten. En dat is geen kwats.
In de verkiezingstijd hoor je altijd maar weer het belang van Nederlands spreken. Iedereen begrijpt dat dit alleen verkiezingsretoriek kan zijn. Het Nederlands bestaat niet en ook de Haagse kliek beheerst vaak niet de Nederlandse taal. Je hebt de hardliners die de Nederlandse taal aanhangen, zoals Geert Wilders die zijn dialect openlijk laat horen en ook zijn politieke tegenstander Mark Rutte. Maar ook in Alphen proclameert Ruud Gebel van de VVD het Hollands als nationaal cultuurbezit. Overigens hangt ook de politieke linkerflank de Nederlandse taal aan, en toegeven, het is verdomde makkelijk. Maar wat is nu goed Nederlands? Luister naar Balkenende: je hoort hem wel, herkent de woorden en snapt er geen ruk van.
Jongeren begrijp ik trouwens ook niet, dus die kunnen best de politiek in. Soms hoor ik ze praten, herken ik de woorden los van elkaar en begrijp er geen ruk van. Ik zie ze typen op MSN en een leraar Nederlands zou, als hij dat zag, een flinke reanimatie nodig hebben. Maar – en dit is even belangrijk – die twee mensen die op MSN in een voor ons onbegrijpelijke taal communiceren, begrijpen elkaar wel. Handig hoor, begrip tussen taalgebruikers. Wat de jongeren mondeling uitkramen, mag je best zien als een moderne variant op het aloude dialect.
Maar goed, ik kan een pleidooi voor goed Nederlands spreken wel van harte ondersteunen. Ik ben ook de beroerdste niet en we wonen in Nederland tenslotte. Maar voordat we allochtonen gaan dwingen naar school te gaan, laten we dan eerst beginnen met Nederlands voor Nederlanders. Een strak plan voor de komende jaren, en een gat in de markt.

