Ze drukte zich plat tegen de grond, probeerde zich te verbergen achter de grassprieten. Haar ademhaling was te snel, ze wist het en probeerde zich de yogalessen te herinneren om zo de controle over haar ademhaling en lijf terug te krijgen: 21, 22 telde ze langzaam.
Het hielp niet echt en ook haar hart werkte niet mee: bij elke hartslag had ze het gevoel dat haar lichaam iets omhoog kwam. De grond voelde koel en het vocht uit de bodem werkte zich door haar T-shirt naar haar blote huid en veroorzaakte koude rillingen. Een fris voorjaar, dacht ze ineens en ik zie er straks niet meer uit. Ze schudde even haar hoofd om van die vreemde gedachten af te komen.
'Hou je stil', fluisterde ze tegen zichzelf. Controle over haar lijf, daar draait het om, wist ze. Ze spitste haar oren en trachtte te lokaliseren waar hij was.
Dichtbij?
Of nog niet.
Opkijken durfde ze niet, haar andere zintuigen moest het doen. Ze berekende haar kansen om verborgen te blijven: niet hoog was bijna meteen haar conclusie, de plek waar ze nu lag te rillen was te open, te vrij. Maar misschien zou het hem in verwarring brengen. Zou hij ergens anders zoeken.
Ze hield haar adem in en luisterde: niets, nou ja misschien wat gekraak verder weg: ze twijfelde. Heel even tilde ze haar hoofd op, maar ze zag hem niet zoeken naar haar. Misschien aan de andere kant: voorzichtig draaide ze haar hoofd. Haar adem stokte direct in haar keel. Snel drukte ze haar hoofd weer tegen de koude grond. Op een meter of tien stond hij, stil als een huis terwijl zijn ogen minutieus de omgeving afzochten.
Had hij haar gezien?, vroeg ze zich af.
Ze luisterde.
Er klonken geen stappen of gekraak van takken. Hij stond dus nog stil.
Opnieuw bekeek ze haar situatie: liggen blijven of er vandoor gaan. Ze was snel, maar hij ook dat wist ze. Maar als ze nu begon te rennen had ze een voorsprong.
Even nog, sloot haar ogen en concentreerde zich op de geluiden.
Minuten verstreken zonder dat er iets gebeurde en zonder dat ze iets hoorde. Ze werd er nerveus van. Het vocht had nu ook haar spijkerbroek nat gemaakt: haar beenspieren verstijfden. Ook dat nog, mopperde ze in stilte. Het betekende ook dat haar kansen afnamen.
Ineens hoorde ze het: gekraak. Hij bewoog en waarschijnlijk in haar richting. Kraak, even niks en weer gekraak. Zou hij haar gezien hebben? Vast niet, vermoedde ze, dan kon hij haar zo bespringen. Maar lang kon het niet duren voor hij haar ontdekte. Ze herberekende haar kansen nog maar eens. Ze moest er vandoor, was haar conclusie: hopelijk had ze dan ook het voordeel van het verrassingseffect, lang verborgen bleef ze zeker niet meer.
Voorzichtig spande en ontspande ze de spieren in haar benen en armen om de bloedsomloop beter op gang te krijgen. In haar hoofd stippelde ze de te rennen route uit. Ze was niet onbekend hier. Hoewel de twijfel door haar lijf gierde, gaf ze zich wel een redelijke kans.
Langzaam telde ze terug vanaf tien.
9, 8... 3, 2 en bij één sprong ze op en zette het op een lopen. Met een schreeuw viel ze weer neer, haar voet gleed uit op een stukje mos.
Terwijl ze viel zag ze hem vanuit haar ooghoeken reageren, ze meende zelfs een gemene glimlach te zien. Hij zette zich ook in beweging: takken kraakten onder zijn voeten.
Geschrokken bleef ze naar hem kijken.
'Kom op trut', riep ze en sprong weer overeind en zette het op een rennen. Al snel ging haar borstkas als een bezetene op en neer. Achter zich hoorde ze hem als een stoomtrein aankomen en aan het geluid te horen, kwam hij dichterbij.
Sneller moet ik, sneller, spoorde ze zichzelf aan.
Ze naderde een open plek met aan de rand een grote eik. Even keek ze om; ik red het niet, dacht ze en perste alles uit haar pezige lijf.
De laatste restjes.
De man was haar tot op twee meter genaderd. Ze liep en liep...
Ze richtte haar blik op de eik en rende er recht heen.
'Ik heb je', hoorde ze achter zich de zwaar hijgende man.
'Nee!', gilde ze en deed een laatste poging om uit de grijpende klauwen van de man te blijven. Ze zwenkte naar links en verraste hem daarmee. Meteen daarop veranderde ze de richting naar rechts en stormde recht op de grote boom af.
Ineens verloor ze haar evenwicht; een vloek verliet haar mond. Maar terwijl ze viel, schampte ze met haar vingertoppen de stam van de eik.
Ze viel en rolde door, uitgeput.
De man stopte hijgend naast haar en keek haar aan.
Hij zei niets.
Zij wel:
'Buut vrij', perste ze uit haar mond en een grote glimlach tooide haar gezicht.

