Ik heb niks met voetbal. Zo, dat is er maar eens uit. Ik maak er overigens geen geheim van, maar zo en plein public is het toch een behoorlijke bekentenis. Nederland houdt namelijk zoveel van voetbal dat elke positie die ons nationale elftal behaalt tijdens een toernooi, een toppositie is. Terwijl ik altijd leerde dat alleen de eerste plaats telt. En zeggen en schrijven, hebben we die eenmaal behaald. Tegenwoordig is een plek in de halve finale voldoende om het land in een nationale juichstemming te krijgen. Zum kotsen, is mijn mening.
Toch heb ik wel van voetbal gehouden. Mijn cluppie werd kampioen in de eerste divisie en promoveerde naar het allerhoogste in het betaalde voetbal, het was 1983. Ik toog om de week naar de betonnen kolos die De Vliert heette. FC Den Bosch tegen Ajax, ik herinner alles nog. Vooral de uitslag. Driemaal scoorde de Bossche spits Wim van der Horst, tegen nul van de Amsterdammers. Ik herinner me zelfs een kerst dat Den Bosch de winterkampioen was. Lang duurde de successen overigens niet, maar leuk was het. Er is natuurlijk ook niets mis met voetbal, maar wel alles met de commercie erachter. Managers maken de dienst uit, samen met de sponsors. Voetballers zijn de moderne slaven van de samenleving, al is de beloning wel erg goed.
Omdat ik dus de schurft heb aan voetbal, ga ik natuurlijk ook geen voetbalverslagen schrijven. Tweemaal drie kwartier je eigen vervelen met 22 kerels die met 44 behaarde benen achter een bal aanrennen. Het zal niemand verbazen dat ik vrouwenhockey aantrekkelijker vind. Gelukkig beschikt het Witte Weekblad over een correspondent die een ware voetballiefhebber is. Ik regel de backoffice en Henk, want zo heet hij, struint de velden af. Vieze schoenen krijg je daar trouwens ook niet meer van. Kunstgrasvelden zijn in. Maar daar heb ik het een andere keer wel over.
We spreken samen af over welke wedstrijden te schrijven en waar een foto te maken. De fotograaf krijgt een opdracht een plaat te maken van een vooraf geselecteerde wedstrijd. Die fotograaf blijft nooit lang, zeker niet tweemaal drie kwartier. Kortom, ik krijg een foto en mail die naar Henk met de vraag te ontcijferen wie die woestelingen zijn die een kunstje doen met de bal. En zoals elke week krijg ik – vast na enig gepeins van Henk – een mail terug met de namen van de voetballers. Dan nog even creatief nadenken en hup, klaar is het foto-onderschrift.
Bij Alphense Boys ging het mis bij de wedstrijd van 4 oktober. Wie oh wie staat er op de foto. Het was een raadsel, en eigenlijk nog steeds. Ondanks de namen in de krant, knaagt de onzekerheid. Omdat Henk twijfelde stuurde hij de foto naar de technisch coördinator van de club en die kwam met twee andere namen dan hij in gedachten had. En ook de PR-man gaf er zijn draai aan die hij overigens later weer veranderde. Voor de zekerheid kwam de foto ook nog terecht bij de trainer. Als iemand het moet weten is hij het. Toch? Vanaf die kant is het nog steeds stil. Om aan alle discussie een eind te maken, maakten we het volgende onderschrift: Rivallino Sleur is verwikkeld in een luchtduel om de bal, op de achtergrond kijkt Otman Mouhyieddine toe. Maar of de namen correct zijn, weten we eigenlijk nog niet.
Let trouwens ook even op de witte schoentjes van de twee spelers op de voorgrond. Zum kotsen. Inderdaad. Schoenen zijn zwart en hebben aluminium noppen. Precies ja, net als vroeger toen het gras ook nog echt was.
(Deze column is ook verschenen op de website van het Witte Weekblad)

