'Dag meneer', riep het gehoofddoekte meisje vanaf de speelplaats naast mijn huis toen ik mijn auto parkeerde. De kou sneed diep in mijn wangen en eigenlijk had ik haast. Terwijl ik mijn hand opstak en vriendelijk teruggroette, hoorde ik de andere meisjes fluisteren. In ieder geval hard genoeg dat ik het hoorde.
'Dat is de man van de juf', fluisterde de een.
Ik glimlachte. Zelfs verpakt in een dikke jas ben ik immer herkenbaar als de man van. Bij kinderen in ieder geval zeker. Tel daarbij op dat lief al twintig jaar juf is en ieder kind ouders heeft. Het aantal mensen dat zij kent, is onnoemlijk veel. Mij kennen ze alleen maar als de man die zijn arm om haar heen heeft geslagen. Als ik naast lief loop, hoor ik haar veel mensen groeten. Ik kijk niet eens meer op. Ik ken ze toch niet.
'Hoe heet je vrouw', vroeg het hoofddoek je.
Ik antwoordde terwijl ze daarna om de achternaam van mijn lief vroeg. Lachend vertelde ik die ook.
'Dat is mijn juf geweest', gilde ze van blijdschap uit. 'Doe haar maar de groeten.'
Dat moest ik ook doen van de andere jonge dames.
Het valt soms niet mee om de man van te zijn.

