Daar, dacht ik.
Zojuist reed ik de parkeerplaats af van het feestelijke dorpslokaal. Vol was het daar. Kris kras stonden de auto?s op het grindveld. De enige mogelijkheid om er nog te parkeren was om daarbij andere auto?s voor de nacht te blokkeren. Tja, en zo hoort het niet.
Dan maar parkeren langs de Dorpsstraat. Opvallend dat er in bijna elke dorp een Dorpsstraat is.
Maar goed, ik manoeuvreerde de wagen weer van het blikverzamelpark af. Voorzichtig, dat wel. Even geen zin om al die paperassen in te vullen. Uit de lokale uitspanning klonk al de muziek. De bruiloft was in volle gang.
Voor me parkeerde een auto pontificaal in de berm, nou ja voor de helft in de berm. Staan is staan, moest de chauffeur wel denken. En ik was het met hem eens. Voor mij was er geen plek meer, dat zag ik.
Maar toen ik even langs de weg tuurde zag ik iets verderop een mogelijkheid. Knipperlicht aan en links af. Hebbes.
Moet lukken, twee wielen in de berm en hupsakee de polonaise in. De voorwielen reden makkelijk door het zeiknatte gras. Het had de middag ?iets? geregend. Even tegensturen en de achterwielen volgen vanzelf. Niet te ver de berm in anders moeten we zwemmen. Toen het achterwiel de grasrand opgleed klapte pardoes de auto enkele tientallen centimeters naar beneden. Vervaarlijk helde de auto over richting de sloot. Gas gooide ik erop en liet de koppeling slippen. Geen beweging.
De hellende richting was toch wel eng met een volgeladen auto. Evacueren dan maar. Even later stonden vier personen naar een in de grond weggezakt achterwiel te staren. Horizontaal stond het karretje ook niet.
Dapper als ik ben stapte ik terug in de auto en perste alles wat er is onder de motorkap vandaan. Beweging was er, maar niet voldoende. Rechtsvoor begon het ineens te roken. De koppeling? Tja, ik weet het niet maar goed leek het me niet. Motor af en maar buiten mistroostig naar de situatie kijken. Het stonk behoorlijk naar een verbrand iets. Zweet brak me uit. Wat nu?
Tot aan de achteras zat ik vast.
Achter ons klonk de vrolijke muziek door de ramen de lentenacht in. Enkele feestgangers stonden buiten een luchtje te scheppen. Vol belangstelling keken ze toe. Je zag ze knikken en met elkaar over mijn situatie praten. Een van hen slenterde naar mij toe. Ziet er niet best uit, zei hij. Maar dat wist ik al. Het stonk ook, volgens hem en ook dat feit was mij al bekend. Verderop wonen boeren, was de volgende melding. Met een gewone auto zou ik nooit loskomen. Goed advies, maar ik besloot toch maar eerst de gewone auto te proberen. Een van ons haalde een feestganger uit de zaal en die snelde toe. Sleepkabeltje erom en gaan. Met gemak kwam ik los. Maar het stonk nog steeds.
Verderop zag ik een gewone parkeerplaats met plek zat. Ik dankte mijn redder en zette de auto veilig op een doodgewone simpele plek.
Het was maar honderd meter verder.

